Lees

Regels

Je draagt je eigen jas en tas. Altijd zitten als je eet. Je zegt ‘dank je wel’ en ‘alsjeblieft’. Je vraagt ergens netjes om. Behalve bij de buren, daar vraag je niet uit jezelf om een snoepje. Je eet met je mond dicht, met je bestek, je noemt eten niet ‘vies’, je gaat pas van tafel als iedereen klaar is of als het mag en je zet je eigen bord weer in de keuken. Je slurpt, smakt, boert en burpt niet. Als je ergens gespeeld hebt, dan bedank je daarvoor. Als er iets kapot gaat, ruim je het zelf op. Je gaat niet met je schoenen naar boven. Je ruimt je eigen speelgoed op. Eerst zelf zoeken voordat je vraagt waar iets ligt. Je schuift je stoel aan. Je praat niet door iemand heen. Je wacht netjes op je beurt. Je gaat bij iemand eten omdat je het gezellig vindt, dus je vraagt nooit wat ze eten. Je lost je ruzies zelf op en roept er alleen iemand bij als dat niet lukt. Je doet de deur achter je dicht. Je pakt een nieuwe wc-rol als die op is. Je doet je onderbroeken en sokken in de was. Je kijkt hoe het met iemand gaat als je diegene per ongeluk pijn doet. Je laat struiken en bomen heel. Je mag niet voorbij de hekjes. Schoenen buiten uitdoen als je in de zandbak hebt gespeeld. Je mag niet met je schoenen op de bank. Niet springen op de bank. Niet eten op de bank. Met een bal spelen doe je buiten. Rennen doe je buiten. Gillen doe je nooit. Je zet je fiets binnen in de schuur. Je loopt om als je buitenspeelt en weer naar binnen wilt. Je laat de hond met rust als hij op z’n kussen ligt. Je doet je gordel om. In de auto eten en drinken is nergens voor nodig. Je pakt niet het grootste stuk taart. Je zegt altijd gedag. Niet rennen in een winkel. Als je iets aan wilt raken, dan vraag je dat. Ga aan de kant voor mensen, let op waar je loopt. Knutselspullen blijven beneden. Scharen altijd met de punt naar beneden dragen. Messen ook. Als je naar boven gaat dan neem je iets mee wat op de trap ligt. Je handdoek moet aan het rekje. Overdag zijn de gordijnen open. Je wast je handen voor je aan tafel gaat. Je zit met je billen op je stoel. Je veegt je handen af aan een doekje en je mond ook. Je loopt naar iemand toe als je iets wilt vragen. Doe het licht uit als je je kamer uitgaat, als je dat vergeet dan loop je alsnog naar boven om het te doen, nee ik doe het niet je bent nu groot genoeg.

Wat erg. Ik ben streng. Als iemand ‘wat?’ zegt tegen mij, verbeter ik het in ‘wat zeg je?’ Het is eruit voor ik het doorheb. Maakt niet uit wie het is. Al zou koningin Máxima voor me staan tijdens een liefdadigheidsgala.

Het belangrijkste vind ik dat mijn kinderen opgroeien tot liefdevolle mensen. Dat ze anderen helpen. Dat ze kritisch leren denken en eigen keuzes maken. Dat ze zichzelf kunnen zijn.
Passen al mijn regels daarbij? Zie ik ze voor wat ze zijn als ze niet mogen springen op de bank of aan tafel moeten blijven zitten? Ze mogen hun eigen kleren kiezen en Lieve wil kort haar en Pepijn lang. Dat vind ik allemaal prima. Moet ik niet wat minder op al die regels letten?

“Lieve en Pepijn? Wat zijn eigenlijk alle regels in huis?”
Ze kijken verstoord op van hun filmpje. Dat ze mogen kijken tot de eierwekker gaat. Ze denken na. Dan zegt Lieve: “We mogen niet scheten tijdens het eten.”
Pepijn vult aan: “En geen poep zeggen.”
“Haha, je zei poep,” lacht Lieve.
“Jij zei scheten!” giert Pepijn. “Scheten tijdens het eten!”

Lachen. Dat moet ook. Het liefst zo veel mogelijk.

Vorige bericht Volgende bericht

Ook leuk

Geen reacties

Laat je reactie achter