Kleuter, Lees

Sterretje

Het was maandag 3 mei, we zaten gedrieën aan de spinazie à la crème met aardappels, vissticks en appelmoes en met het oog op de aankomende dodenherdenking leek het me spontaan een goed idee om Benja wat bij te brengen over de keerzijde van het leven: de dood. “Morgenavond zijn alle mensen in Nederland even stil. Dan denken we aan iedereen die dood is gegaan,” zeg ik. “Wat is dood?” vraagt hij terwijl hij de zoveelste hap met meer appelmoes dan groene derrie neemt. “Dan ben je niet meer hier, maar word je een sterretje.” Terwijl ik het zeg vraag ik me af of het de juiste uitleg is, maar nu ik die weg eenmaal ben ingeslagen kan ik niet meer terug. 

“Een sterretje? Dat snap ik niet. Hoe kun je nou een sterretje worden?”
“Hoe het precies werkt weet niemand. Maar het gebeurt wel.” 
“Word ik ook een sterretje?” 
“Later. Als je héél oud bent.”
“Wil je me dan wel een jas aantrekken?”
“Een jas? Waarom?”
“Anders ben ik bang dat ik het koud krijg, ’s nachts buiten in de lucht.”

De maanden daarna praten we er niet meer over, veel te druk met het aardse leven. Tot die ene keer, als er in de wachtkamer bij de logopedist een hele oude man voorbij schuifelt. “Mama, kijk eens naar die meneer. Ik denk wel dat hij snel dood gaat,” zegt Benja uit het niets. Met die conclusie is het onderwerp weer afgedaan. Tot de dood zich kort daarna twee keer in onze omgeving aandient. 

Dagenlang zeg ik er niets over tegen Benja. Mijn ‘pas als je héél oud bent ga je dood,’ klopt namelijk niet. Deze mensen hadden nog heel wat levensjaren nodig voordat ze het stempel ‘oud’ zouden krijgen. Maar die tijd kregen ze niet. Dat het leven ook zo keihard en oneerlijk kan zijn, hou ik graag nog even voor Benja verborgen. Tot ik denk aan de belangrijkste les die mijn vader me leerde: altijd eerlijk zijn. Dus vertel ik hem als we voor het stoplicht staan te wachten waarom ik deze weken zo druk ben met het troosten van vriendinnen en familie. 

De rest van de fietstocht is hij stil. Tot we bij opa en oma de straat in fietsen. “Ik hoop dat mijn opa en oma nog lang niet doodgaan. Maar als ze wel een sterretje worden, wil je het dan tegen me zeggen? Dan ga ik nog even bij ze langs en geef ik ze een kusje. Ik denk dat ze dat wel fijn vinden. En mam, zullen we vanavond iets met appelmoes eten?”

Vorige bericht Volgende bericht

Ook leuk

Geen reacties

Laat je reactie achter