Lees

Mam, gaat het?

Irma is moeder van vijf kinderen. Haar zoon Guus is 7, haar eerste tweelingdochters Maartje en Renée zijn 4 en de tweede tweeling (Judith en Nikkie) 2. Bij ons op de club deelt ze hoe het haar en haar kinderschare af gaat!

We staan stil. 
Vóór me een rij van zo’n vijf à zes auto’s die staan te wachten om linksaf te kunnen slaan op de kruising. Op de middelste bank van mijn Mercedes Vito zitten de helft van mijn dochters, op de achterste bank de andere helft. Renée kwebbelt vrolijk over school. ‘En toen ging Nora ook helemaal naar boven klimmen in het klimrek en daarna zaten we samen helemaal bovenin, en zij had vandaag ook een rokje aan net als ik, maar die van mij was blauw en…’ 

Zoals altijd wanneer ik op de weg moet stoppen, controleer ik de achteruitkijkspiegel. Ik heb goed zicht op de lange rechte weg die ik zojuist zelf heb afgelegd. Ik zie een grote witte bestelbus op me afkomen. Zo’n groot extra groot model. Ik schat dat hij nog minstens 70 kilometer per uur rijdt. Ik probeer de bestuurder te zien als hij dichterbij komt. Als ik hem in het vizier heb, kruipt een koud gevoel over mijn borst richting mijn gezicht. Mijn handen worden koud en ik begin acuut te zweten. De man kijkt overduidelijk naar beneden, en niet voor zich. 

Wacht ik af? Of ga ik handelen? 

Snel zet ik de bus in de eerste versnelling. Ik kijk voor me, op zoek naar een uitweg. Opnieuw achteruitkijkspiegel: hij kijkt nog steeds naar beneden terwijl hij razendsnel dichterbij komt. Wacht ik af? Of ga ik handelen? 
Er is geen tijd om een afweging te maken. Ik laat de koppeling omhoog komen en stuur de bus naar rechts, de berm in. Er is weinig ruimte door een rij bomen rechts van de weg, maar het lukt me om de neus van de bus schuin naast de auto voor me te drukken, waardoor de bus alleen nog met één achterwiel op de weg staat. 
‘Mama, waarom staan we hier?’ Ik geef geen antwoord. 

Seconden later zie ik de bestelbus hard remmen, de voorzijde van de bus beweegt naar beneden, ik hoor de remmen piepen. Achter het stuur zie ik een jongeman, een twintiger, verschrikt voor zich kijken en daarna verbaasd naar mijn bus in de berm. Als hij stilstaat, zie ik hem iets op de bijrijdersstoel gooien. 

Mijn hart bonkt in mijn borst.

In mij is een ongekend sterke agressie aan het opborrelen. Mijn hart bonkt in mijn borst. Ik klik mijn gordel los en gooi mijn deur open.   Briesend loop ik in de richting van de bestelbus. 
‘BLIJF ************ MET JE TENGELS VAN JE TELEFOON AF! IK HEB VIER KLEINE KINDEREN IN MIJN AUTO! VIER!’ 

Ik ben op dat moment tot veel in staat. In mijn razernij zou ik deze jongeman, die me schaapachtig zit aan te kijken, het liefst uit zijn bus trekken, over het asfalt, en hem dingen aandoen die je alleen in films ziet. 
Maar ik ben een grote verstandige meid. De jongen in de bus rijdt weg. Ik stap in mijn bus en leg mijn hoofd op het stuur, probeer mijn ademhaling onder controle te krijgen. De meisjes zijn doodstil en duidelijk onder de indruk. 

‘Mam, gaat het?’ klinkt het daarna zachtjes.

Vorige bericht

Ook leuk

Geen reacties

Laat je reactie achter