Lees

Zomerkamp

Natanja blogt over haar leven als moeder van een dochter van tien en een zoon die nét acht is geworden. En die vorige week op kamp ging.

Langzaam draai ik mijn auto de smalle weg op. In mijn achteruitkijkspiegel verdwijnt de kampeerboerderij waar ik zojuist mijn intens verdrietige zoon achterliet uit het zicht. Als een aapje stond hij aan me vastgeklampt, zijn grote knuffelhond platgeplet tussen ons in. ‘Ik wil met jou meehee,’ snikte hij. Het kwam uit zijn tenen. 

Vijf minuten eerder arriveerde ik op de ‘ouder-drive-through’ bij een kampeerboerderij. Het is tijd voor het zomerkamp. Twee uur en tien minuten rijden vanaf ons huis, gevoelsmatig aan het einde van de wereld. Ik pluk een slaapzak, luchtbed en een knoepert van een weekendtas uit de auto, zorgvuldig gemerkt met naamstickers. Met argusogen observeer ik de piepjonge kampleiding. Het zomerkamp waar we hem maanden geleden voor inschreven, lijkt ineens een bijzonder slecht idee.

Ontredderd kijk ik afwisselend naar mijn zoon, die op kamp gaan ineens niet meer ziet zitten, en de op het oog aarzelende begeleiders. Ik kan wel wat juffen-en-meester-assertiviteit gebruiken om mijn kind van me af te pellen. Semi-grappend roep ik: ‘Is er misschien een huilend-kind-protocol dat nu in werking treedt?’ Met onvaste maar zo opgewekt mogelijke stem probeer ik mijn zoon in hun armen drijven. ‘Het wordt leuk hoor jongen, echt! Nu moet ik gaan.’

Unheimisch en met gierend hart van onzekerheid stap ik in de auto. Diepe snikken wellen op uit mijn binnenste. Het lijkt wel of ik hem bij het schavot achterlaat. Alles in me zegt: keer om, rij terug, haal hem op. Maar ja, hij wilde zo graag. 

Waarom hebben we een kamp aan het andere eind van het land geboekt?

Ik bel mijn man en snotter onverstaanbaar dat we hier werkelijk zó verkeerd aan hebben gedaan. Waarom hebben we een kamp aan het andere eind van het land geboekt en waarom in hemelsnaam inclusief overnachtingen? Hij is nog veel te jong!
‘Omdat het hem heel leuk leek,’ antwoordt mijn man. ‘Het komt vast goed.’

Ik geloof er niets van. Mijn man moet zweren dat hij de kampleiding over een half uur appt terwijl ik de immense terugtocht naar huis onderneem, en mij direct laat weten hoe het gaat.
‘Het gaat goed met hem, hij is spelletjes aan het doen en heeft al een vriendje,’ hoor ik hem een paar minuten later door de speakers van de auto zeggen. Langzaam word ik rustig. Ik bel mijn moeder die in een vakantiehuis verblijft, een uur rijden vanaf het kamp. ‘Mocht er iets misgaan, dan haal ik hem op,’ zegt ze. ‘Ik zit veel dichterbij.’ Ik antwoord haar dat ik dat lief vind, maar het vast goed komt. Geloofwaardig klinkt het niet.

Die avond gaat mijn telefoon. De kampleiding. ‘Het gaat niet goed hier, helaas. We krijgen hem niet afgeleid, hij is ellendig van de heimwee.’ Zie je wel. Even weet ik niet wat te doen. Oprechte heimwee moet je niet te licht nemen. Maar nog eens heen en weer rijden kan betekenen dat ik van vermoeidheid in de vangrail eindig. Ik kan mezelf wel voor mijn kop slaan. Had ik al gezegd dat dit het slechtste idee van het jaar was? Ik bel mijn moeder. ‘Ik spring in de auto,’ zegt ze. ‘Hij slaapt bij ons, en dan haal je hem morgen maar op. We regelen het wel.’ We bellen terug naar de kampleiding en spreken een huilend jochie. Maar als hij hoort dat zijn oma eraan komt, stopt zijn gesnik.

Na twee keer verkeerd te hebben gereden vindt mijn moeder de Verweggistaanse boerderij. Laat in de avond appt ze me. ‘Ik heb een bedje voor hem gemaakt, hij ligt heerlijk te ronken.’ Iets geruster probeer ik even later de slaap te vatten. ‘Weer een les geleerd,’ appte mijn vriendin. En ze had gelijk. Gelukkig is mijn kuiken terug op het nest. Onder oma’s veilige vleugels. 

Vorige bericht Volgende bericht

Ook leuk

Geen reacties

Laat je reactie achter