Lees

Spuugzat

‘Schatje, wat is er?’

Ik kijk naar het spierwitte gezichtje van Quin dat net nog honderduit zat te vertellen wat hij door het kleine raampje, ver boven de wolken, allemaal zag. ‘Kijk, mama, de wolken! En de zon! Zijn we nu dichtbij de zon, mama? Waarom vliegen we zo hoog? Ik zie alle gebouwen heel klein! Kijk dan, mama, we gaan dwars door de wolken.’

Zijn enthousiasme ontroert me. Ik kan me nog goed herinneren dat ik zelf ook altijd bij het raampje wilde zitten toen ik klein was. En mijn ogen uit keek. Tegenwoordig zit ik aan het gangpad. Lekker praktisch, dan kun je er makkelijker even uit, mocht dat nodig zijn.

En dat was nodig, zo bleek.

Ik zag er best tegenop; vliegen naar Marseille met een zeven maanden oude baby. Die als ze moe is, ook echt moe is, zeg maar. En het dan op een huilen zet, wat alleen stopt als je haar snel in bed legt. Maar in een vliegtuig is geen bed, ook geen maxicose, geen vrije stoel, alleen maar mijn veel te warme schoot. Dus ja, ik hield mijn hart vast. Want na de vliegreis moesten we ook nog twee uur met de auto. Door de bergen welteverstaan. En dat is niet heel erg relaxed als je een jongen hebt die snel wagenziek wordt.

Maar zoals dat wel vaker gaat met dingen waar je als een berg tegenop ziet: in praktijk gaat alles net even anders dan verwacht. Niet per se beter, maar gewoon anders. Ik ging van te voren uit van een huilende oververmoeide Zora in het vliegtuig, met veel zuchtende en geïrriteerde gezichten om me heen die hier voor hun rust kwamen. En dat klopte. Ze huilde gelukkig niet de hele vlucht, maar zuchtende en geïrriteerde gezichten waren er evengoed. Verder had ik voor een vermeende spuugpartij in de auto een plastic tasje in mijn handtas gestopt. Ik ging van het ergste uit.

Alleen kreunt Quin al ‘ik moet spugen,’ terwijl we nog kilometers boven de aarde zweven. Ik kijk naar zijn witte snoetje en zie een frons tussen zijn wenkbrauwen die ik nog niet ken. Als je een kind hebt dat vaker wagenziek is, raak je er behoorlijk in getraind om gezichten te lezen en adequaat te reageren. Spuugde hij eerdaags nog de hele auto onder, inmiddels weet iedereen dat als ik ‘stop’ zeg, we dan ook echt meteen de auto moeten stoppen en niet rustig naar een parkeerplaats moeten zoeken. Ook Quin is inmiddels zo gedrild dat hij het netjes in een zakje doet of, zoals die ene keer, uit het raam. Ook nu had ik mijn zak meteen paraat.

Maar daarna moest de slurf van de gate op de luchthaven, mijn opvouwbare boodschappentasje, twee luiers van Zora, de altijd zo handige toiletrol in de auto voor onvoorziene ongelukjes en Quins splinternieuwe kersttrui met Rudolph the rednoised reindeer er ook aan geloven. Zeven keer spugen was toch wel echt een record. We deden allemaal alsof het een hele prestatie was.

Apetrots kwam Quin aan op de plaats van bestemming. ‘Ik heb zeven keer gespuugd, zo vaak heeft papa zelfs nog nooit achter elkaar gespuugd!’ Terwijl hij door het huisje stuitert, ben ik gevloerd. ‘s Avonds bij een wijntje kunnen we er alweer om lachen. Zeven keer? Really? Die reis naar Nieuw-Zeeland, die stellen we nog héél lang uit.

 

 

Vorige bericht Volgende bericht

Ook leuk

Geen reacties

Laat je reactie achter