Sanne is moeder van Mus en Mees. En ze is er maar druk mee.
‘Jij kan nooit,’ zegt Mees. Deels beteuterd, deels bozig.
‘Ik ga m’n best doen,’ zeg ik. ‘Maar ik heb een belangrijke training, ik weet niet of het me gaat lukken. Het is ook nog een stukje fietsen. Ik vind het heel leuk dat je theaterjuf besloot om een presentatie te geven aan het eind van de laatste les, maar ik kan m’n werk niet zo makkelijk verplaatsen. De training duurt drie uur, dan is het gek om drie kwartier eerder weg te gaan.’
Hij knikt.
‘Ik ga écht m’n best doen,’ herhaal ik nog maar een keer.
Dan sta ik zelf voor de klas.
Het steekt. Want het klopt. Op zijn vorige basisschool werden bijna alle presentaties voor ouders pas drie dagen van tevoren aangekondigd en waren ze midden op de dag. Dan sta ik zelf voor de klas. Tuurlijk was ik er wel als hij een groot toneelstuk deed met zijn klas, maar bij de kleinere open lessen lukte het me niet. Nu is zijn presentatie om kwart voor vijf. Dan geef ik geen les. Maar nu heb ik dus weer een training.
Als ik die middag het klaslokaal in loop waar de training wordt gegeven, zie ik dat er een klok boven de deur hangt. Lekker. Kan ik me ieder kwartier afvragen of dít een sociaal geaccepteerd moment is om weg te gaan. Misschien is er wel een kleine pauze tussendoor, die precies om kwart over vier is afgelopen en kan ik dan stiekem weg sneaken. Misschien voel ik me veilig genoeg om gewoon op te staan en te zeggen dat mijn zoon moet optreden en ik erbij moet zijn. Maar misschien vinden ze dan dat ik dat beter had moeten regelen. Misschien vinden ze me iemand die verkeerde prioriteiten stelt. Ben ik iemand die verkeerde prioriteiten stelt?
Ik vind half vijf niet vroeg genoeg.
De trainster gaat voor de groep staan. Een kleine dertig man kijkt haar verwachtingsvol aan. ‘Laten we lekker beginnen, dan kunnen we ook op tijd weer stoppen. Zal ik half vijf aanhouden?’ De groep reageert enthousiast. Ik vind half vijf niet vroeg genoeg.
Waarom heb ik niet gezegd dat ik erbij ben? Wat heeft hij nou aan ‘ik ga m’n best doen’? Waarom vind ik het zo moeilijk om straks gewoon op te staan, te zwaaien naar de groep en te zeggen: ‘Joe, ik heb een belangrijke afspraak die ik helaas niet meer kon verzetten.’
Waarom kan het me zo veel schelen wat zij denken?
Ik moet me niet zo aanstellen. Tuurlijk, er zitten allemaal mensen van andere scholen bij. En, niet geheel onbelangrijk, ook de directie. Maar waarom kan het me zo veel schelen wat zij denken? Mijn zoon denkt dat ik er nooit ben. Dát moet me kunnen schelen. Ik moet echt meer schijt hebben.
Als het vijf voor half vijf is, is de training officieel klaar. Ik ben nog nooit zo snel een lokaal uit gerend. Ik heb nog nooit zo snel gefietst.
Mees’ ogen lichten op als ik om exact kwart voor vijf het zaaltje van het buurthuis in loop. ‘Yes, m’n moeder is er!’ roept hij. Natuurlijk ben ik er.





Geen reacties