Lees

Luisteren

‘Soms zeg ik dat ik je haat,’ zegt hij zacht en slaat zijn armen om mijn nek. Hij gaat op zijn tenen staan. Zijn neus raakt mijn kin. ‘Maar dat is niet waar.’

Het was de avond na de dag waarin we 25 discussies voerden over zijn beeldschermgebruik. Zo’n dag met veel nare woorden en verwijten. De tijd dat ik en/of zijn vader al dan niet grappend werd uitgemaakt voor ‘kleuter’, ‘eend’, ‘kip’ en ‘peer’ of een combinatie van die woorden ligt al een tijdje achter ons. In laatste weken voor de zomervakantie waren we ‘poepouders’ waarvan hij niks mocht, zijn vader kreeg een k-woord om zijn oren en regelmatig moest ik ‘hersens gaan kweken.’

Ik weet dat hij om zich heen gaat slaan als zijn emmer vol is, dat zijn temperament gemixt met opspelende tienerhormonen zijn woorden soms nodeloos hard en kwetsend maken. Ik weet dat even op de wc gaan zitten helpt om de rust te bewaren. Net als een blokje omlopen en diep ademhalen om de stukjes die zijn woorden afbraken, weer vast te lijmen. Maar soms maken zijn woorden wonden en doe ik het tegenovergestelde. Zet mijn handen in mijn zij en ga vol overgave de discussie aan over gemaakte afspraken en dingen die wel of niet zijn gezegd. Vaak komen we in een parallel universum terecht: we zijn beiden overtuigd dat we het bij het rechte eind hebben, tot ik vertwijfeld uitroep dat ik het echt niet meer snap en het zat ben. En dan zijn ze er. De vlammen in zijn ogen en de zes woorden.

‘Jij. Luistert. Echt. Nooit. Naar. Mij.’

En daar heeft ‘ie mijn grote pijnpunt te pakken. Want ik luister wel. Luisteren is mijn kernkwaliteit, my middle name, mijn bestaansrecht, mijn belangrijkste waarde in de opvoeding. Ik ben er. Altijd. Want ik weet hoe het is als diegene die het hardste roept, die de meeste emoties toont, die met de deuren slaat, wordt gehoord. Ik weet dat die persoon altijd aan het langste eind trekt. Daarom luister ik naar de kinderen die niet vragen om een snoepje. Die niet zeggen dat ze dat thuis wel mogen. Die niet honderduit kletsen. Die niet als eerste roepen dat ze voorin de auto willen zitten. Die niet huilen als ze zich stoten, maar bij wie je – als je goed kijkt – wel hun gezicht licht ziet vertrekken. Die razendsnel opstaan als ze zijn gevallen. Die naar de grond kijken als ze wat zeggen. Die ‘maakt niet uit’ mompelen als je vraagt wat ze op hun boterham willen.

Mijn zoon toont zijn hevige temperament alleen als hij zich heel erg op z’n gemak voelt. Bij vriendjes, in de klas, tijdens voetbal slikt hij in en pot hij op. Thuis komt het eruit, aan ons als ouders de dankbare taak het op te vangen, waarmee ik niet zeg dat we alles moeten tolereren wat uit zijn mond komt, wel dat we steeds opnieuw moeten horen wat er onder en achter zijn woorden zit. Dat we ook moeten horen wat hij niet zegt, en dat er over een paar uur, een paar dagen, een paar weken, een paar maanden of later als hij zelf vader is, andere woorden komen.

Hij maakt zich los uit de omhelzing en kijkt naar de grond. ‘Als ik geïrriteerd ben zeg ik soms dingen die ik niet wil,’ mompelt hij. ‘Dat komt omdat ik dus heel veel van jou hou.’

Ik trek hem tegen me aan. En luister.

Vorige bericht Volgende bericht

Ook leuk

Geen reacties

Laat je reactie achter