Citaat: Waar maak ik me druk om? Met een plaatje van een stoplicht.
Lees

Fietsen

Sanne is moeder van Mus en Mees. En ze is er maar druk mee.

We fietsen naar huis. Ik met een elektrische gitaar op m’n rug, Mees naast me. Vrij van enige vorm van bagage, druk kletsend, staand op zijn trappers. Hij kan niet gewoon fietsen. Hij doet de hele rit staand. Als ik moe ben en mijn geduld bijna op is, kan ik het soms niet goed hebben. Bijvoorbeeld als ik een drukke dag heb, door moet naar gitaarles, daar een uur lang vanuit het kamertje naast mijn zoon een snerpende blokfluit moet doorstaan en dan weer braaf die gitaar op m’n rug hijs omdat hij het zo lastig fietsen vindt. Tuurlijk, doe ik allemaal. Maar ik word er wel mopperig van.

‘Ga eens zitten, man,’ mompel ik.
‘Maar zo is het zo zwaar!’ zegt hij, terwijl hij demonstratief z’n benen ronddraait en zijn bovenlijf naar voor en achteren beweegt.
‘Je hoeft je bovenlijf ook niet te gebruiken,’ zeg ik, ‘je hoeft alleen maar naar beneden te trappen. Eerst het ene been, dan het andere.’
‘Ik weet heus wel hoe ik moet fietsen.’
‘Nou, soms twijfel ik daar bijna aan.’

Wat maakt het nou uit hoe hij fietst?

Waar maak ik me druk om, spreek ik mezelf toe. Wat maakt het nou uit hoe hij fietst? Hij doet er toch niemand kwaad mee? Wat stoort me dan zo?

We komen bij het kruispunt. De stoplichten doen het niet. Daarom staan er drie verkeersregelaars de boel in goede banen te leiden. Ze hebben hesjes aan en maken met gebaren duidelijk wie er mag rijden en wie moet stoppen. Wij moeten stoppen. Natuurlijk.

Zuchtend kom ik tot stilstand. Er staat niemand voor ons en de rij met auto’s reikt al bijna tot het volgende kruispunt. Dit kan nog wel even duren. Tot de verkeersregelaar voor me met een nonchalante twee-vinger-zwiep te kennen geeft dat we door mogen fietsen.

Die verdienen vast goed

‘Zo,’ zegt Mees. Hij werpt nog een bewonderende blik over z’n schouder. ‘Die verdienen vast goed,’
zegt hij, ‘belangrijk werk én gevaarlijk!’
‘Ik vrees van niet. Ik denk dat dit werk helemaal niet zo goed betaalt,’ zeg ik.
‘Nee? Het is wel echt belangrijk. Én echt gevaarlijk!’ herhaalt hij ferm. ‘Stel je voor dat zo’n auto toch
doorrijdt!’
‘Je hebt helemaal gelijk. Het is belangrijk en gevaarlijk,’ beaam ik.

‘Ik zag trouwens net m’n gymleraar bij het stoplicht,’ zegt hij dan. ‘En weet je hoe die fietste?’
‘Nou?’ vraag ik.
‘Staand,’ zegt hij. ‘En die zal het wel weten, hè?’

Het laatste stuk naar huis fietst hij voor me uit. Keihard. Staand. Ik rijd rustig achter hem aan. Met
alle ballast.

Vorige bericht Volgende bericht

Ook leuk

Geen reacties

Laat je reactie achter