Lees, Peuter

Poepescheteplas

“Het lijkt mij ideaal,” besluit mijn lief na wat appjes met de ouders van Mees. “Mees komt hier een dag spelen en Pepijn gaat daar een dag spelen. Dan hoeft-ie minder naar de opvang. Dat scheelt weer in de kosten.”

Toen ik voor het eerst zwanger was, was dat mijn ideaalbeeld: allerlei kinderen opvangen voor elkaar en ook nog geld besparen. Het leek me heerlijk. Lekker stoeien met dat grut, koekjes bakken, belletje lellen bij de buurvrouw. Ze zouden binnen de kortste keren helemaal gek op mij zijn en ons huis zou één grote Pippi Langkousachtige warboel worden.
Tot Lieve geboren was. En ik ineens heel gestructureerd ging doen. En mijn eigen kind soms al zo ingewikkeld vond.

Maar nu zijn we zes jaar verder en vragen de ouders van Mees het. En Mees is een ontzettend leuk jochie. Met hem durf ik het wel aan.

Ik had me niet vergist. Mees overtreft al mijn verwachtingen: hij is een engel vermomd als tweejarig jochie met grote donkere ogen. Pepijn, die je met zijn blonde krulletjes eerder voor engel aanziet, hangt echter direct de machopeuter uit voor zijn nieuwe beste vriend. Hij trekt gekke bekken, roept ‘poepescheteplas!’ en gooit met zijn bestek.
Mees zegt ‘alsjeblieft’ en ‘dank je wel’ en als we na het puzzelen met de treinbaan willen spelen, wil hij eerst heel graag alle puzzels even netjes opruimen.
Pepijn staat op dat moment op de muur te tekenen. Met pindakaas in z’n haar.

Dan rent Pepijn ineens rondjes in de kamer, verstopt zich onder de bank en roept keihard: “Shit!”
“Dat mag je niet zeggen,” corrigeer ik.
Mees zit nog tegenover me aan tafel. Hij kijkt me met grote ogen aan. Hij is zichtbaar moe geworden van de wervelstorm die mijn peuter is. Zijn handje ondersteunt zijn kin. Hij zucht diep en zegt dan: “Kut mag je ook niet zeggen.”

Vorige bericht Volgende bericht

Ook leuk

Geen reacties

Laat je reactie achter