Baby, Kleuter, Lees, Peuter, relatie

Klotenachten

“Mads, je moet nu echt gaan slapen. Het is al laat. Alle kindjes slapen. Papa en mama gaan zo ook naar bed. Je moet echt gaan slapen,” zeg ik wanhopig tegen hem na bijna een uur gehannes. Ik ben doodmoe. Ik wil iets voor mezelf doen. Alweer een paar maanden is de avond- en nachtrust hier ernstig verstoord. Geen goed advies of andere wijsheid lijkt te werken. Eigen bed, mama’s bed, ‘anders ga je in het campingbed’, laten huilen, toch maar troosten, licht aan, licht uit, deur open, deur dicht. Dat soort dingen. Wij zijn in ieder geval bijna op een emotioneel breekpunt aanbeland.

Ik voel dat mijn bloed langzaamaan begint te koken. Maar in plaats van te luisteren, springt Mads uit bed en loopt de kamer uit. Dat was de druppel. Ik spring hem achterna met in mijn hoofd een stemmetje dat me tot kalmeren bedaart en een ander stemmetje dat hem het liefst een schop zou geven. Voor ik het weet grijpt mijn hand zijn arm en neem ik hem mee. “Hier, ga maar naar papa want ik heb hier echt geen zin in nu,” roep ik terwijl ik hem met enige vaart in de studeerkamer bij mijn man parkeer. Voordat mijn man wat kan vragen of zeggen sta ik alweer in onze slaapkamer. Ik hoor Mads huilen.

“Ik kan dit niet meer!” roep ik omhoog in de hoop dat God een wonder verricht, de jongens ineens slapen en ons een soort winterslaap gegund wordt. Ik zak op mijn knieën naast ons bed neer. Mijn tranen maken vlekjes op het laminaat en mijn gesnik vult de kamer. Maar mijn hoofd wordt rustig, eindelijk.

Als Mads eindelijk slaapt en mijn man en ik in de keuken nog wat staan te drinken, kijk ik hem aan. “Wij kunnen dit samen,” zeg ik. Tegen hem, of misschien meer tegen mezelf.

Niet lang daarna liggen we in bed. Net op het moment dat ik op sluimerstand ga, komt er geluid uit de kamer van de jongste, die altijd haarfijn door lijkt te hebben wanneer het echt stil wordt in huis. Ik heb geen energie om de strijd van het in eigen bed inslapen aan te gaan en neem hem bij me. Zijn lichtgevende speen in mijn gezicht. De grote ogen erboven kijken mij aan. “Ga slapen, alsjeblieft,” zeg ik zachtjes tegen hem. Ik vecht tegen de vermoeidheid, de boosheid, de frustratie. Hoe lang moet ik dit nog volhouden? Ik slaap al drie jaar te weinig en altijd op het moment dat ik denk dat het beter gaat, wordt het erger dan ooit.

Elke dag opnieuw probeer ik mijn frustratie naast mij neer te leggen. De jongens doen dit ook niet expres. Konden ze maar uitleggen welke monsters in hun hoofd nooit slapen. Dan gingen we ze samen te lijf om ze voorgoed te overwinnen. Tot die tijd moet ik vooral mezelf een beetje minder belangrijk vinden. Wat is dit hard bikkelen zeg.

Vorige bericht Volgende bericht

Ook leuk

Geen reacties

Laat je reactie achter